De Gazet logo

De Gazet

Archief
15 april 2026

Gazet #2: Het hoofdstuk dat net niet De Archivist haalde

Een afbeelding van de Tek die door Maarsk stroomt, de hoofdstad van Lida. Door Jan Cleijne.
Afbeelding van de Tek, door Jan Cleijne.

De uiteindelijke versie van ‘De Archivist’ die nu in de winkel ligt, bevat 158.765 woorden. Het is - daar ben ik me van bewust - nogal een dik boek. Maar het had nóg dikker kunnen zijn. Ik heb laatst berekend dat ik gedurende het hele schrijfproces ongeveer 45.000 woorden heb geschrapt. Dat is bijna een boek op zich. Veel daarvan komen uit zinnen en passages die tijdens het herschrijven zijn gesneuveld, bijvoorbeeld omdat er te veel expositie in stond (te uitleggerig dus), te weinig expositie in stond (te vaag dus), of gewoon omdat ze slecht geschreven waren (te..nou ja, slecht dus).

Maar er zijn ook hele afgeronde hoofdstukken die de eindstreep net niet hebben gehaald. Hoewel deze ‘verloren' hoofdstukken’ geen onderdeel zijn geworden van De Archivist, denk ik stiekem dat ze eigenlijk goed en ‘af’ genoeg zijn om gelezen te worden, en ik zou het zonde vinden als ze wegkwijnen in een map in mijn computer. Daarom leek het me leuk om één van deze hoofdstukken met jullie te delen.

Je kunt het hoofdstuk hier gratis downloaden, of verderop in deze nieuwsbrief lezen.

Fico, de soldaat van de Koninlijke Garde die centraal staat in dit hoofdstuk, zit nog steeds als een bijpersonage in het boek (in hoofdstuk 1, om precies te zijn). Hij is alleen ‘zijn’ hoofdstuk kwijtgeraakt, omdat zijn perspectief uiteindelijk te weinig bijdroeg aan de centrale verhaallijn, en sommige ideeën* niet meer aansloten bij de rest van het boek. Om die reden heb ik dit hoofdstuk vorig jaar met pijn in m’n hart uit het manuscript gehaald. Dit is wat mensen bedoelen met kill your darlings: soms moet je individuele personages en ideeën opofferen voor het grotere geheel, ook al ben je er zelf aan gehecht geraakt.

Dit hoofdstuk was trouwens ooit hoofdstuk 10 in mijn werkversie van het manuscript. En hoewel er weinig spoilers in staan voor De Archivist, raad ik je aan om in ieder geval deel I van het boek te hebben gelezen, voordat je hier aan begint.

Veel leesplezier! En laat me vooral weten wat je er van vond, en of je het leuk zou vinden om nog meer van dit soort ‘verloren’ hoofdstukken te lezen.

* Zoals het concept van de ‘Dwazen’, een groep nobelmensen die wilt weten wat er met Haris is gebeurd, en daarom elke dag komt demonstreren bij het mortuarium buiten de stad. Of: de Treur is hier nog zwart van kleur, en niet grijs, zoals in de eindversie.


10. Fico

---

De barricade op de weg naar Maarsk
19:11

De Dwazen zijn klaar voor vandaag. Ze zijn gestopt met het scanderen van hun leuzen voor de poorten van het mortuarium en staan hun spullen te verzamelen voordat ze terugkeren naar Maarsk. Soldaat Fico ziet ze bezig in de verte, de kleine figuurtjes met kartonnen borden waar bloedrode letters op geverfd staan.   

Vanaf zijn plek bovenaan de barricade ziet hij alles. Dat is ook niet zo ingewikkeld, want hij staat in het midden van niets. Om hem heen ligt alleen maar drassig moerasland. De barricade is opgeworpen bij een stoffige zandweg die uitkomt op een weeshuis en het mortuarium waar de demonstranten staan. De stad is hier ver weg.

Achter het mortuarium drijft een stoet van lijkbootjes het kanaal af in de richting van de Tek. De rivier is hier heel anders dan bij hem thuis in Trepe. Daar is de stroming van de Tek nog onstuimig van het smeltwater van de Noordelijke Wilderbergen. Dat smeltwater brengt ook mineralen met zich mee die achterblijven in de rivierbodem. De modder, die allerlei echte en veronderstelde genezende effecten heeft, wordt gebruikt in de kuuroorden van het dorp en heeft ervoor gezorgd dat Trepe is uitgegroeid tot een chique vakantiebestemming voor de nobelfamilies. Hier in Maarsk is de Tek tot bedaren gekomen. Traag en zelfgenoegzaam neemt het de lijkbootjes met zijn stroming mee. Samen vormen ze een kleine armada, op weg naar het paradijs. Dat is tenminste wat hij vroeger geloofde. 

Het was soldaat Ek die hem vertelde wat er echt met de bootjes gebeurt. Ek is een jaar ouder dan Fico. Hij is ook een stuk cynischer.

'Als ik dood ga, zorg ik dat mijn moeder vóór mijn afvaart al mijn spullen in de achtertuin begraaft. Ik heb liever dat niemand ze krijgt dan dat ze van m'n dooie lijk worden gejat.'

'Wie zou jouw spullen nou stelen?' had Fico gevraagd.

'Zij.'

Fico had al wel zijn vermoedens gehad. Elke dag ziet hij de kinderen van het weeshuis in de weer met witte bundeltjes in het moeras, poppetjes in de verte. Toch had hij zich uit het lood geslagen gevoeld toen Ek hem vertelde dat de kinderen daar de spullen sorteren die in het geheim van de lijkboten worden afgehaald. Ek had er alleen maar zijn schouders over opgehaald.

Fico draait zich om. Ek had er al moeten zijn. Normaal is hij het die de Dwazen langs de barricade laat wanneer ze terugkeren naar de stad. Meestal komen ze voordat de zon opkomt en vertrekken ze pas als Fico’s dienst er al op zit. Nu komen de eerste plukjes van de demonstranten al zijn kant op. Fico krabbelt van de barricade af en begint ruimte te maken. Elke keer als hij een stoel of een ijzeren balk weghaalt, begint de constructie vervaarlijk te wiebelen, maar inmiddels weet Fico precies welke delen van de barricade hij veilig kan ontmantelen en wat hij juist met rust moet laten. 

Het had erger gekund dan deze uithoek. Het is rustiger dan in het centrum van de stad, waar bezorgde burgers de soldaten van de Koninklijke Garde op de barricades niet met rust laten. Hij kent de verhalen van zijn maten die zich in de barakken hologig vastklampen aan hun paar vrije uren om bij te komen. De mensen in de stad bedelen om hun familie te mogen bezoeken in een ander District, of simpelweg om eten. Wanneer de soldaten hen proberen weg te sturen, slaan de smeekbedes om in bedreigingen en verwensingen. De groepen die om de barricades drommen worden met de dag groter, en steeds vaker voelen de soldaten zich gedwongen om waarschuwingsschoten te lossen om de mensen uit elkaar te drijven.

De dagen in het moeras zijn anders. Eenmaal per dag komt een kleine colonne van mobielen vanuit de verte opgestoven. In hun koelcellen achterin liggen de lichamen die zijn verzameld in de stad. Fico is niet bang voor de strakgespannen gezichten van de doden. Wat hem nerveus maakt, is wat ze met zich mee kunnen dragen onder hun huid. De soldaten die de barricades bemannen hebben de taak gekregen om iedereen te controleren op tekenen van Treur, levend of dood. Fico heeft de Treur nog niet in levende lijve gezien. Hij weet alleen maar waar hij naar zoekt dankzij de instructies van zijn sergeant. De Treur toont zich eerst in de opgezwollen zwarte aderen, daarna verschijnen er uitgesmeerde vlekken op de rest van het lichaam. Dat is het teken dat de Treur zich in de organen heeft genesteld. En daarmee begint de aftakeling en het wegglijden in waanzin.

Op het moment dat de mobielen bij hem arriveren zijn ze al langs verschillende barricades in de stad gekomen. Maar toch. Er is niemand die weet hoe de Treur zich precies verspreidt, hoeveel afstand precies genoeg is. Er doen allerlei verhalen de ronde. Sommige soldaten denken dat de Treur zich alleen via levende gastlichamen kan verspreiden. Ek is ervan overtuigd dat ook de doden nog besmettelijk zijn. Fico draagt net als alle andere soldaten een mondkapje, maar hij heeft niet de illusie dat dat hem zal beschermen tegen het zwart.

Het inspecteren van de lijkmobielen is normaal gesproken het enige moment van de dag waarop hij echt alert hoeft te zijn. De enige verandering in zijn dagelijkse routine was gisteren, toen een dokter en een meisje langskwamen in een fonkelnieuwe mobiel. De oude man gedroeg zich bot, maar hij had een stapel bij zich met medische documenten met stempels van de koning zelf, dus hij had niet veel keus dan ze zonder controle door te laten. Vanochtend zag hij de dokter terugkeren naar de stad op de passagiersstoel van een de lijkmobielen. Het meisje was toen niet meer bij hem.

Verder gebeurt er weinig tijdens de dag. De Dwazen scanderen, de wezen werken en Fico zit bij zijn barricade. Hij kijkt naar de bootjes of bladert eens door een van de borstenblaadje die hij heeft meegenomen uit de barakken. Het flesje met Stuif dat verstopt ligt onder een van de stoelen laat hij echter met rust. Ek heeft hem verteld dat het geen kwaad kan doen, dat Stuif alleen maar uitlicht wat al prachtig is en dat prachtiger maakt. Maar soldaat Ek kan zeggen wat hij wil; Fico heeft al te veel mensen in zijn familie ten onder zien gaan aan de substantie. Stuk voor stuk waren dat verstandige mensen die beweerden dat ze hun gebruik onder controle hadden. Stuk voor stuk eindigden ze laveloos, tandeloos en uiteindelijk levenloos. Fico wil zichzelf blijven, voor zichzelf en voor zijn verloofde. Hij is van plan haar ten huwelijk te vragen na de Koningsdag. Hopelijk is tegen die tijd dit hele gedoe voorbij.

De zon gaat onder. De Dwazen komen dichterbij. Ze brengen het grauw van de schemering mee terug naar de stad. Ze zijn uitgelaten. Ze lopen onbekommerd langs de barricade alsof die er niet staat en negeren Fico alsof hij er niet is. Fico controleert de huid die zichtbaar is. Handen, nekken en neuzen. Verder houdt hij een respectvolle afstand, als een goede, loyale soldaat. Ieder ander zou hij nauwkeuriger inspecteren, maar de nobelmensen zijn nagenoeg onschendbaar. Hun welvaart beschermt hen. Fico kent hun soort. Hij is tussen deze mensen opgegroeid. In het kuuroord in Trepe waar zijn ouders werkten, hielp hij als kind mee door de handdoeken te verzamelen. Zijn ontbijt bestond uit de resten van het gebak dat de nobelmensen maar voor de helft hadden opgegeten. Hij was hun schaduw. Hij kent hen beter dan ze zichzelf kennen.

Fico is bij de Koninklijke Garde gegaan omdat hij van regels houdt. Orde en harmonie maken hem rustig. Maar wat is de waarde van wetten als ze niet voor iedereen gelden? Wat geeft deze Dwazen het recht om elke dag dit schoolreisje te maken terwijl de rest van de stad opgesloten zit?

De meeste Dwazen zijn nu voorbij de barricade. Hij wacht alleen nog op een ouder echtpaar, de laatsten in de stoet. Hij draagt een bruin pak, zij een bescheiden zwarte jas en een sjaal zonder franje. Oude nobel loopt niet met zichzelf te koop. Dat hoeft ook niet. Hun opgestoken kinnen zeggen genoeg. Een en al waardigheid. Het duurt een leven lang om dat te verinnerlijken.

Het echtpaar loopt arm in arm. Zij loopt moeilijk, hij ondersteunt haar. Fico blijft in het gelid staan terwijl ze langs schuifelen.

En dan struikelt ze. Het is maar een kort moment. Eigenlijk stelt het niets voor. De vrouw zet een onzekere stap op de oneven grond en verliest haar balans. Ze valt voorover en tast om zich heen, op zoek naar ondersteuning, die ze vindt bij een kist die uit de barricade steekt. Ze blijft even hangen, bevroren in een verdraaide pose, totdat de man zich over haar ontfermt en haar weer overeind helpt. Hij vraagt of het gaat en zij knikt. Ze slikt, haalt een keer diep adem, en fatsoeneert haar shawl. Daarna gaan ze weer verder.

Het echtpaar kijkt niet achterom. Ze slaan geen acht op Fico. Hadden ze dat wel gedaan, dan hadden ze gezien dat hij stokstijf aan de grond genageld staat met zijn geweer in zijn hand, als een tinnen speelgoedsoldaat. Hij heeft gezien hoe bij het struikelen de mouw van de vrouw naar achteren werd getrokken en hoe daar op de bovenkant van haar pols een vlek te zien was. Een zwarte vlek.

De man en de vrouw lopen van hem weg in een tergend langzaam tempo. Fico spoelt het beeld terug in zijn hoofd, herhaalt het voor zichzelf, op zoek naar een reden om zijn eigen ogen niet te geloven. Het ging zo snel. Het waren hoogstens een paar seconden en hij stond op een paar meter afstand van de vrouw. Misschien heeft hij zich gewoon vergist. Even schiet het door hem heen om gewoon te ontkennen dat hij iets heeft gezien en de vrouw te laten gaan. Maar dan dwalen zijn ogen af naar de contouren van de stad, voorbij het echtpaar en de andere Dwazen in de verte. Hij ziet de pieren en de kranen van de haven, de fabriekspijpen, en de monoliet van het Bureau van Informatie.

Hij heeft orders. Hij staat op deze barricade met een reden.

Hij trekt zijn mondkapje omlaag. Het elastiek snijdt in de huid achter zijn oren. 'Halt!' roept hij. De eerste keer reageert het echtpaar niet eens. Ze lopen door alsof ze hem niet hebben gehoord. Fico zet een paar stappen naar voren en richt zijn geweer op de vrouw.

'Halt!'

Nu blijven ze wel stil staan. Aarzelend draaien ze zich om, alsof ze nauwelijks kunnen geloven dat het bevel aan hen gericht is. De man kijkt furieus, de blik van de vrouw is wat vriendelijker, grootmoederlijk bijna.

'In naam van Koning Pins de 13de -'

'Wat wil je?' snauwt de man.

'U wordt aangehouden op verdenking van het meedragen van de Treur. In verband met mogelijk besmettingsgevaar beveel ik u om hier te blijven en afstand te houden tot er een veldarts van de Koninklijke Garde arriveert om u te inspecteren.'

'Ben je helemaal gek geworden?' zegt de man. 'Waar haal je dat krankzinnige idee vandaan? Ga je werk doen en laat ons met rust.'

'Dit ìs mijn werk,' zegt Fico. Hij probeert rustig te blijven, maar zijn stem trilt.

'Hoe durf je me tegen te spreken? Wie denk je dat je bent?'

De oude vrouw legt sussend haar hand op zijn arm, maar de man rukt zich los en wijst naar de barricade achter Fico.

'Wat sta jij hier eigenlijk te doen? Noem je dat een barricade? Dat is niks, dat is afval. En jij bent ook niks.'

Fico zet zich schrap, richt zijn geweer omhoog en lost een waarschuwingsschot. Het weerklinkt over de vlakte van het moeras. De man krimpt in elkaar en de vrouw slaat van schrik haar armen over haar borst.

'Ik ben hier het gezag,' zegt Fico. De jongen uit Trepe zou zich laten afblaffen. Die zou met de staart tussen zijn benen zijn weggevlucht. Maar hier is hij een soldaat van de Koninklijke Garde.

'Jongeman, ik weet zeker dat dit allemaal een groot misverstand is. Hoe kom je erbij dat wij de Treur zouden hebben?’ vraagt de vrouw.

'U. U heeft het.' Fico wijst met zijn geweer naar de arm van de vrouw.

De vrouw kijkt hem even niet-begrijpend aan en begint dan opgelucht te lachen.

'O, dat. Zie je wel dat dit een misverstand is? Dat is alleen maar een blauwe plek die ik heb opgelopen bij een val tijdens het tuinieren. Bekijk mijn arm maar als je wilt, dan zie je het zelf.'

'Liefje,' zegt de man verontwaardigd, maar de vrouw sust hem. Fico ontspant en laat zijn geweer zakken, gerustgesteld door de reactie van de vrouw. Hij knikt instemmend. Haar voorstel klinkt als een acceptabel compromis.

De vrouw rolt zorgvuldig de mouwen van haar jas op. De donkere plek op haar pols steekt af tegen de witte, hangende huid van haar onderarm. De vrouw wenkt hem en Fico begint in haar richting te lopen. Maar hoe dichterbij hij komt, hoe meer hij wordt overvallen door een gevoel van onbehagen. Orders zijn orders, en orders zijn er niet voor niets. Hij is geen arts en hij heeft de Treur nog nooit van dichtbij gezien. Hoe moet hij bepalen of ze symptomen heeft? Wat als de Treur al in de rest van haar lichaam zit?

En dan denkt Fico: als ze wél besmet is, dan ben ik dat straks ook.

Hij blijft staan, in een niemandsland tussen zijn vertrouwde barricade en het echtpaar.

'Het spijt me, maar dit is niet de procedure. U blijft hier tot u wordt onderzocht.'

De man explodeert bijna van woede. 'Heb je enig idee wie we zijn?' roept hij.

'Ik ga een veldarts bellen. U blijft staan waar u staat.'

‘En dan? Moet mijn vrouw zich uitkleden in die greppel daar? Ben je soms helemaal door de Gesten verlaten?'

'Het is voor uw eigen veiligheid.'

‘Wij zijn toch heel redelijk geweest?’ vraagt de vrouw. Ze lijkt oprecht verbijsterd door Fico’s gedrag, alsof hij niet wil begrijpen dat ze hem een dienst heeft willen bewijzen. Haar man haakt zijn arm weer in die van haar en trekt haar mee, weg van Fico.

'Dit is de grootste fout uit je leven, jochie. Ik zorg dat dit gerapporteerd wordt. Ik maak je helemaal kapot.'

Het is het gemak waarmee hij hem berispt. Fico is slechts een van de velen tegen wie hij zo praat. Fico is de soldaat, en de chauffeur van hun mobiel. Hij is de soldaat en de chauffeur en de portier bij het hotel die de koffers laat vallen. Hij is niet meer dan een ergernis. Als hun woede zakt, zullen ze hem vergeten.

Fico kent hun soort.

'Halt,' zegt hij.

Ze blijven niet staan.

'Halt.'

Het is de gloeiende afdruk van een vlakke hand in zijn gezicht wanneer de thee te lauw geserveerd wordt. De geur van urine in natte handdoeken.

'Halt.'

Het is zijn moeder die op bed ligt, uitgeleefd en afgepeigerd. Haar handen die zich om het flesje met Stuif klemmen, dat dragelijk maakt wat vreselijk is.

'Halt.'

Ze luisteren niet.

Fico kent hun soort.

Weer klinkt er een schot door het moeras. Fico is er eerst niet zeker van of hij haar heeft geraakt. De vrouw zet nog een paar stappen alsof er niets gebeurd is. Dan struikelt ze weer, glijdt weg uit de armen van haar man en zakt in elkaar.

Fico blijft staan waar hij staat. Hij luistert naar het sterven van de oude vrouw. Haar ademhaling wordt een rare rochel, geknepen en gejaagd. Haar man knielt moeizaam naast haar lichaam neer en drukt op de plek waar de kogel haar lichaam is binnengedrongen. Het heeft geen zin. Het duurt niet lang voordat de vrouw helemaal stopt met ademen. Wanneer ze levenloos in zijn armen ligt, lijkt de man ineens te vergeten dat ze er is. Hij richt zich op van de grond en schuifelt richting Fico met onzekere passen, zijn ene arm uitgestrekt, zijn andere slap langs zijn lichaam. Hij lijkt bezeten. Zijn ogen puilen uit, zijn mond hangt half open. Uit zijn keel komt een diep en zacht grommen.

Dit keer geeft Fico geen waarschuwing meer voordat hij de man neerschiet. De oude man sterft anders dan zijn vrouw. Hij zakt in een hoopje in elkaar alsof zijn ruggengraat uit hem is weggerukt en komt met een doffe klap op de grond terecht.

Een tijdlang blijft alles roerloos. Fico kijkt om zich heen. Het is nu te donker om de bootjes op de rivier nog te kunnen zien. Het is stil, te laat ook voor de insecten en vogels van het moeras. Niemand komt polshoogte nemen.

Hij loopt naar het lichaam van de oude vrouw toe. Wanneer hij langs haar echtgenoot komt, ziet hij dat hij hem recht tussen zijn ogen heeft geraakt. De vrouw ligt op haar zij. Terwijl hij een zo groot mogelijke afstand probeert te houden rolt hij haar op haar rug met de loop van zijn geweer. Hij pakt zijn zaklamp en schijnt het licht op haar pols.

Haar ogen zijn wijd opengesperd. Ze moet een flinke klap hebben gemaakt tijdens het tuinieren. Haar huid is zo gebutst dat de kneuzing een waterig soort zwart is geworden.

In de verte klinkt er consternatie. Fico hoort de stemmen van de Dwazen die al bijna terug waren in de stad en nu in paniek aan elkaar vragen waar de schoten vandaan kwamen, ook al weet niemand meer dan de ander. De stemmen klinken ver en steeds verder. Ze vluchten van hem vandaan.

Fico loopt terug naar de barricade, hurkt neer bij zijn veldtelefoon en toetst het nummer in van de barakken. Eigenlijk zou soldaat Ek dit moeten doen. Hij heeft tenslotte nachtdienst. Maar Ek is laat vandaag.

Mis niet wat er komt. Abonneer je op De Gazet:
Deel dit e-mail:
Delen op LinkedIn Delen via e-mail Delen op Mastodon Delen op Bluesky
Deze e-mail wordt je aangeboden door Buttondown, de eenvoudigste manier om je nieuwsbrief te starten en te laten groeien.